Als je aan een groep geneeskundestudenten vraagt wie er minstens 1 ouder heeft die ook arts is, zal een heel groot deel zijn hand opsteken. Dit zal je niet snel zien bij een groep studenten die gezondheidswetenschappen of natuurkunde studeren. Maar dat de kinderen van artsen zelf graag ook arts willen worden, is natuurlijk hartstikke leuk, maar qua intelligentie moet het ook nog maar allemaal lukken. Geneeskunde is namelijk niet de makkelijkste studie. Dat intelligentie gedeeltelijk erfelijk bepaald is, is geen groot geheim meer, maar hoe het precies zit is vaak nog onduidelijk.

Intelligentie meten wij met het IQ. Het IQ lijkt iets wat vaststaat en niet veranderd kan worden. En voor een individu klopt dit ook, maar niet als je naar de wereldbevolking kijkt. Het gemiddelde IQ van de wereldbevolking stijgt namelijk. Onderzoeker James Flynn heeft hier in 1984 onderzoek naar gedaan en kwam tot de conclusie dat het gemiddelde IQ van Amerikanen tussen 1932 en 1978 met 14 punten was gestegen. Deze stijging van het IQ over generaties wordt daarom ook wel het Flynn effect genoemd. Dit effect is ook buiten Amerika gezien en uit een grote meta-analyse kwam dat de wereldwijde stijging van het IQ gemiddeld met 3 IQ-punten per decennium gaat. Hier zitten natuurlijk wel verschillen in per land. Zo gaat de stijging in ontwikkelingslanden een stuk sneller dan in Scandinavische landen. Een verklaring voor de algemene stijging zou kunnen zijn dat de omgevingsfactoren (onderwijs, economische ontwikkeling, betere gezondheidszorg) verbeteren en zo dus ook de intelligentie van de wereldbevolking. Omdat ontwikkelingslanden op deze gebieden meer te winnen hebben dan Scandinavische landen is dus ook het gevolg dat de stijging in IQ daar een stuk sneller gaat. 

Zoals al te verwachten was, is intelligentie voor een deel erfelijk. Maar dit is niet zo simpel als het lijkt. Erfelijkheid is namelijk de mate waarin verschillen tussen personen in een specifieke populatie door genen kunnen worden verklaard. Dus als erfelijkheid voor 70% door genen zou worden bepaald, dan betekent dit dat 70% van de verschillen in intelligentie in een populatie bepaald worden door genetische factoren. 

Daarnaast wordt intelligentie ook voor een groot deel bepaald door omgevingsfactoren. Een kind waarvan de ouders leren en ontwikkelen heel erg stimuleren zal zich beter ontwikkelen dan een kind waarvan de ouders geen tijd en aandacht voor hun kind hebben. 

Een onderzoek van Eric Turkheimer heeft dit laten zien. Hij bewees dat de genetische invloed van intelligentie bij rijke Amerikaanse gezinnen groter is dan bij arme Amerikaanse gezinnen. (Psychological Science, 2003). Bij gezinnen met de laagste sociaaleconomische status was deze invloed bijna nul. Dit is te verklaren doordat kinderen die, ondanks dat ze gunstige genen voor intelligentie hebben, zonder de juiste kansen deze genen als het ware niet kunnen benutten en zich daarom toch niet zo kunnen ontwikkelen als iemand met ‘dezelfde’ genetische aanleg, maar met een hogere socio-economische status. 

Hieruit kun je concluderen dat een goede omgeving de basis is en je genetische aanleg voor intelligentie dus pas tot uiting kan komen als die basis goed is. Het voordeel hiervan is dat omgevingsfactoren makkelijker te veranderen zijn dan genetische factoren en dat  een verbetering in de levensomstandigheden voor de lagere socioeconomische klassen dus eigenlijk dubbel zoveel intelligentie oplevert. Dit doordat het verbeteren van omgevingsfactoren op zichzelf al tot een hogere intelligentie leidt, maar ook omdat daardoor de genetische intelligentie aangesproken kan worden en er zo nog meer intelligentie ‘tot uiting’ kan komen. 

Wat helaas nog niet zo is, is dat we weten welke specifieke genen verantwoordelijk zijn voor intelligentie. Wel is er in 2016 een studie gepubliceerd (Nature, 2016) waarin 74 genen zijn geïdentificeerd die 3,2% van de variatie in het opleidingsniveau in een Europese populatie verklaren. Dit impliceert natuurlijk meteen al hoe complex intelligentie dus eigenlijk is. Als 74 genen 3,2% van de variatie verklaren, hoe veel verschillende genen zullen er dan betrokken zijn bij de totale intelligentie? En hoeveel verschillende mogelijkheden levert dat op voor het samenspel van deze genen? 

Gelukkig zijn er genoeg mensen bezig met onderzoek hiernaar, dus het antwoord zal vast nog wel een keertje komen. En ondertussen gaan wij gewoon lekker door met geneeskunde studeren. 

https://www.nemokennislink.nl/publicaties/intelligentie-is-erfelijk/
https://www.nature.com/articles/nature17671
https://www.nrc.nl/nieuws/2018/02/09/intelligentieverschillen-genetisch-bepaald-nonsens-a1591682
https://www.ru.nl/nieuws-agenda/vm/2019/augustus/intelligentie-hoeveel-weten-we/

Misschien ook interessant