jasperIk hoop dat je dit leest. Of dat het je in ieder geval bereikt, omdat je zeer waarschijnlijk geen Nederlands verstaat. Ik hoop dat een verre vriend die je kende nog van de middelbare school, die 5 jaar geleden naar Maastricht verhuisd is en dit artikel via zijn buurman op Facebook heeft gezien jouw omschrijving herkent. Ik hoop dat ‘ie dan in zijn adressenboekje jouw naam opspoort en je een belletje geeft. En dat je in de jaren die komen nog vaak het verhaal vertelt over een onbekende Nederlandse student die over jou had geschreven. Dat hoop ik, hoe onwaarschijnlijk dan ook.
Waarschijnlijker is dat je op dit moment drie meter onder de grond ligt, overleden. Waarschijnlijker is dat jouw laatste adem de mijne was, nadat ik mijn lucht met jouw ingezakte longen deelde. Dezelfde lucht die jij een paar minuten daarvoor nog zelf ademde, toen omstanders jou simpelweg als dronkenlap beschouwden, onwetend van de vreselijke, kille realiteit.
Waarschijnlijker is dat dit bericht je nooit zal bereiken en je het nooit zal lezen. Maar ik blijf hopen.

Soms vraag ik me af wat er was gebeurd voordat ik je daar zag liggen. Het is raar, normaal kennen wij mensen op zoveel verschillende manieren. We kennen ze wanneer ze op school zitten, hoe ze zijn op werk en wat ze doen tijdens het uitgaan. Zelfs vreemdelingen op straat hebben nog enigszins herkenbaar karakter door hun manier van lopen of door de mensen met wie ze zijn. Maar jou, in het kleine half uur dat ik je heb gezien, ken ik maar op één manier. Op de grond. En toch denk ik nu soms aan je en vraag ik me af wat er achter jou schuilde dan alleen een onverzorgde, obese man.
Want dat is hoe ik je voor het eerst zag, toen ik de hoek om kwam lopen. Ik liep vermoeid achter mijn vrienden aan na een lang stuk lopen naar de medische faculteit in Vilnius, tijdens de reis met de studievereniging. Toen ik de commotie om jou heen zag waren de blaadjes van mijn vermoeidheid snel verwelkt.

Om je heen stond een stil bewegend stilleven van mensen die omlaag naar jou staarden, badend in de glorie van onwetendheid. Ze keken naar jou, nu niets meer dan een lichaam, op de vuile grond. Eerst zag ik je niet eens; je lichaam werd verscholen door de knikkende benen van het publiek van vier. Twee van mijn vrienden, met wie ik samen was gaan lunchen, waren in gesprek met locals. Het voelde al meteen mis. Hoe erg mis had ik nooit kunnen voorspellen. Toen ik bij je kwam zag ik je zo op je zij liggen. Je linker been lag bij je knie en heup in negentig graden gedraaid en je armen waren zo gedraaid, dat je luchtweg open bleef. De stabiele zijligging. Ik had geen idee wie je was of waarom je daar lag, maar meer hoefde ik niet te zien om te weten dat het goed mis was. Je was warm ingepakt voor het koude, Litouwse weer, maar je handen en hoofd die net uit je dikke winterjas staken wisten de waarheid uit jouw kleding gevangeniscel te breken. Ze waren grauw wit. Les één in EHBO: rood is zuurstofrijk, blauw is zuurstofarm, wit is geen bloed.

Toen een van mijn vrienden me daarop attenderen kon ik me wel voor mijn kop slaan dat ik dat niet eerder had gezien en dus niet eerder had kunnen reageren. Ik vroeg aan de locals of je wel ademde en ik luisterde vol ongeloof naar hun antwoord. Ze vertelde me dat je een aantal minuten geleden nog snurkte. Mijn gedachten gingen meteen naar een aantal maanden geleden toen ik Circulatie en Long als onderwerp had. Ik had toen een verhitte discussie met mijn coach over het feit dat snurken vaak wordt vergist met gaspen, een serieus teken van een circulatiestilstand. Het was om die reden dat ik je omstanders niet meer vertrouwde in hun bekwaamheid. Je was dronken, je was aan het slapen en je was aan het snurken, zeiden ze. Alleen het eerste kon ik nog enigszins geloven.

Ik ging op mijn knieën langs je zitten. De grond was vies en gevuld met kiezels die mijn broek hebben gescheurd, maar dat maakte me niet veel uit. Ik controleerde je ademhaling door een hand op je buik en een op je rug te leggen. Ik voelde niets. Een koude rilling vloog door mijn wervels. Ik probeerde het te verwijten aan jouw dikke winterjas, dus ik zocht in lichte paniek je pols op. Weer niets. Ik slikte één keer een brok weg en voor een seconde sloeg ik mijn ogen neer. Toen kwam de adrenaline. Hoe goed je ook het reanimatie stappenplan hebt geleerd en hoe veel lessen in reanimatie je ook hebt gegeven, vanaf het moment dat je de eerste tekenen van een circulatiestilstand ontdekt, neemt de adrenaline over. Je denkt niet meer na, je brein staat op automatische piloot. Angst overkwam me ook, ik voelde het bij elke ademhaling diep in mijn buik. Maar ik wist dat ik simpelweg het beste jou zou kunnen helpen, omdat ik beide als EHBO’er werk én reanimatieles geef. Dus ik slikte een keer en sloeg mijn ogen neer. En ik begon je om te draaien.

Je lag tegen een muur aan met je zij er van af gedraaid, wat het onmogelijk maakte om je terug te draaien. Terwijl ik je hoofd ondersteunde sleepte ik en een local je verder van de muur af, nadat ik hem daartoe had gecommandeerd. Nadat je op de rug lag, kantelde ik voorzichtig je hoofd naar achter zodat je luchtweg zou openen. Een laatste kans. Mijn oor legde ik vlak boven je open mond en ik keek naar de rest van je lichaam. 1-2-3-4-5-6-7-8-9-10. Geen geluid. Geen gevoel. Geen beweging. Geen ademhaling. Start reanimatie.

Ik had vaak nagedacht over hoe het zou zijn om iemand te reanimeren. Ik denk dat iedereen die daar les in krijgt daar ooit wel over heeft gefantaseerd. Hoe ik dan heldhaftig naar de locatie zou rennen waar een oom of tante op de grond zou liggen, hoe ik opdrachten zou verdelen en zoals we op de poppen hadden geoefend de compressies en beademingen perfect zou doen. Hoe de ambulance dan zou komen en mijn oom of tante weer aan de praat zou krijgen. Hoe iedereen dan mij bedankt en hoe ik met trots het verhaal kan navertellen.
Ze noemen het niet voor niets fantaseren. De realiteit is nooit zo rooskleurig.

Ik zette mijn handen op het midden van je borstbeen en begon met mijn hele lichaam te duwen. De weerstand die je gaf verraste me. Ik had altijd tijdens mijn lessen verteld dat de poppen redelijk realistisch waren. Misschien is dat wel zo, en ben jij gewoon een uitzondering. Het voelde in ieder geval bizar. Lang heb ik gedacht over hoe ik het gevoel kan beschrijven. Maar ik ben tot de conclusie gekomen dat ‘onbeschrijfelijk’ de beste beschrijving is. Na 30 compressies kantelde ik je hoofd weer, om beademingen te geven. Ik heb er uiteindelijk maar een kunnen geven, want je mond was te ranzig vol slijm en stank. Ik vond het niet veilig voor mezelf. Dus ik ging door met alleen compressies. Pas als je constant duwt, merk je hoe prettig het is om even een ‘pauze’ te hebben terwijl je beademingen geeft. Gelukkig was de ambulance al gebeld voordat wij bij je waren en wist ik dat ik niet lang zou hoeven volhouden.

Krrrik. Toen ik het geluid hoorde wist ik meteen waar het vandaan kwam. Ik had het ook wel kunnen verwachten, want het gebeurd bij de meeste reanimaties. Maar toch was het onverwachts, het geluid van een brekende rib tegelijkertijd met mijn 22e compressie. Dat korte geluid zit nog steeds in mijn hoofd, nu al weken erna. Mijn meest beangstigende herinnering. Zeker de dagen net na de reanimatie kwam dat geluid onwillekeurig bij me op en kreeg ik rillingen. Dat vreselijk geluid werd gelukkig snel vervangen door de hoopvolle sirenes. De ambulance kwam om dezelfde hoek als ik aan het begin. Ze gingen harder rijden toen ze zagen wat ik aan het doen was. Blijkbaar had niemand ze dat verteld. Ik realiseerde me dat ik vergeten was om te zeggen dat iemand dat moest doen.

Ze namen het snel van mij over. De broeders zeiden nog iets tegen me, maar hadden duidelijk niet door dat ik ze niet kon verstaan. Ik nam een stap terug, naast mijn vrienden. Ik keek omlaag naar je, nu slechts een lichaam op de vuile grond. Ik maakte deel uit van een stil bewegend stilleven, badend in de verdoemenis van bewust zijn. Zo stonden we een kwartier lang te kijken terwijl beetje bij beetje je kans op overleven kleiner werd. Drie maal kreeg je een schok, zonder resultaat. Toen de voorzitter van de commissie zich bij ons had toegevoegd, wisten we dat het tijd was om je te verlaten. We moesten door. We hadden een afspraak. Dat voelde zo raar. Bijna alsof ik je in de steek liet, ook al was er niets meer dat ik kon doen. En zo verlieten wij je.

Ik denk nog vaak aan je. Over wie je was en of je nog in leven zou zijn. Misschien is het goed, dat we niet tot het einde gebleven zijn. Want hoe onwaarschijnlijk ook, nu kan ik tenminste fantaseren dat je nog in leven bent. Is het niet finaal. De uren na de reanimatie waren raar; we waren nog steeds op reis. Ik had geluk dat er een hele groep geneeskundestudenten waren die zich goed in mijn schoenen konden verplaatsen. Dat maakte het verwerkingsproces een stuk sneller, net als dit verhaal, wat ik voornamelijk tijdens de reis heb opgeschreven.

Later hoorde ik dat meer mensen van onze groep langs je waren gelopen, zonder dat ze door hadden dat er iets mis was. Misschien waren dingen anders gelopen als ze actie hadden ondernomen. Maar ik verwijt het ze niet. Want het is logisch dat ze niets doorhadden; je ademde pas een paar minuten niet meer, dus er was toen minder aan de hand. En als de locals hetzelfde tegen hen haden gezegd als tegen ons, dan wisten ze niet beter. Want met jou toestand en de woorden van locals zou iedereen je hebben beschouwd als De Dronkenlap van Vilnius.

Ik hoop dat je dit leest.

Dit vind je waarschijnlijk ook interessant:
https://www.msvpulse.nl/het-beste-hart/